Home Geschiedenis Koloniaal verleden Mijn mening Bedrijven Koers SRD Het weer Kaart Volkslied Vakantie

De Surinaamse bevolking wordt gevormd door nakomelingen van de oorspronkelijke bewoners van het gebied, de Indianen, van slaven uit Afrika, van Europese kolonisten van de 17de, 18de en 19de eeuw (onder wie ook joden), van Chinezen, Brits-IndiŽrs en Javanen uit AziŽ. De republiek Suriname, vroeger ook wel Nederlands Guyana genoemd, ligt op de noordoostkust van Zuid-Amerika en wordt door BraziliŽ begrensd in het zuiden en in het oosten door Frans-Guyana, in het noorden door de Atlantische Oceaan en door Guyana (het voormalige Brits-Guyana) in het westen. De grens met Frans-Guyana wordt gevormd door de Marowijnerivier, die met Guyana door de Corantijnrivier, terwijl de grens met BraziliŽ wordt gevormd door de waterscheiding van de Surinaamse en de Braziliaanse rivieren.

Toen Amerika door de Europeanen werd ontdekt in 1492, woonden er in dit werelddeel - en dus ook in Suriname - alleen Indianen. De eerste Europeanen die naar Guyana kwamen, het gebied waar ook Suriname deel van uitmaakt, waren Spanjaarden, later gevolgd door Engelsen en Nederlanders. Deze vroege bezoekers werden aangetrokken door de verhalen die de ronde deden over de grote goudrijkdom van het gebied en door de mogelijkheid om ruilhandel te drijven met de indianen. Tot blijvende vestigingen hebben deze acties niet geleid. Van permanente bewoning van Suriname door Europeanen is pas sprake na 1650, toen door Engelsen de landbouwkolonie Suriname werd gesticht, met de bedoeling plantages aan te leggen voor de verbouw van producten voor de Europese markt. De eerste kolonisten kregen in de jaren daarna versterking van vele anderen. Belangrijk was vooral de vestiging in Suriname van een groep joden, die BraziliŽ na de overname door de Portugezen hadden verlaten. Deze kolonisten hadden niet alleen kennis van de suikercultuur en -bereiding, maar ook voldoende geld om plantages aan te leggen. Zo nam in die jaren het aantal plantages steeds toe, vooral aan de Surinamerivier en aan de Commewijnerivier. Het bestuurscentrum van Suriname was toen gelegen in het dorp Thorarica aan de Surinamerivier. Voor de verdediging en de bescherming van de plantages was bij het voormalig Indianendorp Parmurbo een fort aangelegd dat door de Engelsen Fort Willoughby genoemd werd, naar de toenmalige eigenaar van Suriname. Tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) werd de kolonie Suriname door een Zeeuwse vloot onder bevel van Abraham Crijnssen veroverd en bij de Vrede van Breda werd in 1667 bepaald dat Suriname in Nederlandse handen zou blijven. De eerste jaren van Nederlands bestuur waren jaren van achteruitgang, omdat veel planters het land verlieten en hun geld, goederen en slaven meenamen, terwijl de plantages in toenemende mate te lijden hadden van invallen van Indianen. Toen Zeeland niet in staat bleek om de kolonie tot bloei te brengen en ook niet om afdoende bescherming te bieden tegen aanvallen, verkocht zij de kolonie Suriname aan de West-Indische Compagnie, die in 1683 een derde deel verkocht aan de stad Amsterdam en een derde aan Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk. De drie eigenaars vormden de Geoctroyeerde SociŽteit van Suriname. Van Sommelsdijk zelf kwam in 1683 als gouverneur naar Suriname. Hij bestuurde met krachtige hand het land, bevorderde de aanleg van plantages en sloot vrede met de indianen en met een groep weggevluchte slaven. Toen hij in 1688 werd vermoord was het aantal plantages en de export al sterk toegenomen. Het belangrijkste product was suiker. De 18de eeuw werd een bloeiperiode voor de kolonie. Omstreeks 1800 waren er zowat zeshonderd plantages. Naast suiker werden ook katoen, koffie en cacao verbouwd. Om de plantages beter te kunnen beschermen tegen buitenlandse invallen werd in 1745 het Fort Nieuw-Amsterdam aangelegd bij de samenvloeiing van de Suriname- en de Commewijnerivier. Hierdoor werd het ook mogelijk om het gebied aan de benedenloop van deze rivieren in cultuur te brengen. Toen door aanvallen van de Marrons (weggelopen slaven, die vanuit hun woonplaatsen in het binnenland aanvallen deden op de plantages) en door uitputting van de bodem vele plantages aan de bovenloop van de rivieren verlaten werden en het kustgebied volgebouwd raakte werd het cultuurareaal uitgebreid door de aanleg van plantages aan de Nickerierivier, aan de Saramaccarivier en aan de zeekust (het huidige district Coronie). De arbeid werd verricht door slaven, die werden aangevoerd uit Afrika. Na aankomst in Suriname werden zij op de veiling verkocht om dan te worden ingezet bij de aanleg en de exploitatie van plantages. Vooral het aanleggen van nieuwe plantages en de verbouw van suiker was zwaar. Op de katoen-, koffie- en cacaobedrijven was het werk minder zwaar, terwijl de slaven die werkten in de houtsector een ruime mate van vrijheid hadden. Door het Koloniaal Gouvernement werden vaak expedities uitgerust tegen de Marrons, maar de resultaten waren teleurstellend, terwijl de kosten van de expedities hoog waren. Daarom besloot het Gouvernement om een pact te sluiten met de Marrons. De eerste blijvende vrede werd afgekondigd in 1760 met de Djoeka's, twee jaar later gevolgd door die met de Saramaccaners. Maar reeds in de jaren 1860 ontstond er een nieuwe groep aan de Cotticarivier. Zij hadden uitstekende aanvoerders en een vesting - Boekoe - in een vrijwel ontoegankelijk gebied. Na het inzetten van een speciaal uit Europa voor dat doel aangevoerd leger en van een legercorps bestaande uit vrijgekochte slaven - het Korps Zwarte Jagers of Redi Moesoe's - lukte het om de Cotticanegers te verslaan en ze over de grens naar Frans-Guyana te verdrijven. De nakomelingen van de Djoeka's en de Saramaccaners wonen nog altijd in de binnenlanden van Suriname, waar zij met de Paramaccaners, de Aloekoe's, de Matuariers en de Kwinti's bekend staan als Bosnegers, Boslandcreolen of Marrons. Ook de Indianen wonen voor het grootste deel in het binnenland en zij zijn verdeeld over verschillende stammen, w.o. de CaraÔben, de Arowakken, de Trio's, de Wayana's en de Akoerro's. De kolonisten die zich in de 17de eeuw en in de eerste helft van de 18de eeuw in Suriname vestigden, waren blijvers en hun nakomelingen zijn een integraal deel van de huidige Surinaamse bevolking. Omstreeks 1770 trad er echter een belangrijke wijziging op. De meeste plantages kwamen toen in handen van personen die in het buitenland woonden en daarmee begon voor Suriname de periode van het AbsenteÔsme. De mensen die nu naar Suriname kwamen, hadden geen ander doel, dan zo gauw mogelijk rijk worden en den terugkeren naar Europa. Dit leidde tot roofbouw, ook op mensen, en uiteindelijk tot achteruitgang van Suriname. Dit proces van achteruitgang werd versterkt door concurrentie van bietsuiker van Europa, suiker uit IndiŽ en katoen uit de U.S.A. Ook de afschaffing van de slavernij heeft voor het plantagewezen in Suriname funeste gevolgen gehad. Niet alleen door het gebrek aan arbeidskrachten, maar ook door het gebrek aan vertrouwen in de toekomst bij de planters. Kort voor de afschaffing van de slavernij werd ook een poging ondernomen tot vestiging van Nederlandse boeren in Suriname. Vooral door de slechte voorbereiding werd dit een grote mislukking en stierf de helft van de kolonisten. De nakomelingen van de overlevenden zijn nu echter nog een aanwijsbaar deel van de huidige Surinaamse bevolking, waarin zij volkomen zijn opgegaan. In 1995 hebben die nakomelingen nog feestelijk het feit herdacht van de komst van hun voorouders naar Suriname, 150 jaar geleden. Om te voorzien in het verwachte tekort aan werkkrachten voor de plantages werd besloten om immigranten als contractarbeiders naar Suriname te halen. De eerste pogingen betroffen Chinezen en Portugezen, maar het succes van die pogingen was niet groot. De Portugezen zijn na hun contract vrijwel allen teruggekeerd, maar de Chinezen vormen nu nog een belangrijk deel van de Surinaamse bevolking. In 1863 was inmiddels de slavernij afgeschaft. Om de plantages niet abrupt te beroven van hun arbeidskrachten en ook om de vrijverklaarden te wennen aan geregelde arbeid, moesten zij nog tien jaar onder contract ergens aan het werk blijven. Na afloop van deze periode trokken de meesten van de plantages weg, om zich te vestigen op een eigen kostgrondje of in Paramaribo, waar ze soms ambachtslui werden en van waaruit zij spoedig de binnenlanden zouden intrekken als goudzoekers. In het jaar waarop er een eind kwam aan het Staatstoezicht op de vrijverklaarden, kwamen de eerste immigranten uit Brits-IndiŽ in Suriname aan. Zij sloten een contract voor vijf jaar, waarna zij mochten terugkeren of een nieuw contract sluiten of zich als vrije burger vestigen in Suriname. In het contract waren bepalingen opgenomen inzake de te leveren arbeid, de betaling, het recht op vrij wonen en op vrije geneeskundige behandeling. In de periode 1873 tot 1916 zijn er 33000 contractarbeiders uit Brits-IndiŽ naar Suriname gekomen, waarvan na afloop van de contractperiode 11000 zijn teruggekeerd. De nakomelingen van de achterblijvers maken nu een belangrijk deel uit van de Surinaamse bevolking als Surinamers van Hindostaanse afkomst. Nadat in de jaren 80 van de vorige eeuw de Brits-Indische immigranten op enkele plantages in verzet waren gekomen tegen de lonen en de behandeling, werd in 1890 een proef genomen met immigranten van Java, een der eilanden van Nederlands Oost-IndiŽ (het huidige IndonesiŽ). Omdat dat ook een Nederlandse kolonie was en er dus geen internationale verwikkelingen konden ontstaan, was de continuÔteit meer gegarandeerd. De proef met 94 immigranten was een succes en van 1894 af tot 1939 zijn er meer den 33000 contractarbeiders van Java naar Suriname gebracht. Aanvankelijk gebeurde dit onder dezelfde voorwaarden als bij de Brits-Indische immigratie, maar vanaf 1930 werd de strafbepaling in het contract die de naleving van het contract moest waarborgen, weggelaten. De immigranten die daarna kwamen waren dus vrije immigranten. Van de Javaanse immigranten die naar Suriname kwamen is ongeveer een derde deel teruggekeerd naar Java en de nakomelingen van de blijvers vormen nu het Javaanse deel van de Surinaamse bevolking waarin zij volledig zijn geÔntegreerd. De huidige Surinaamse bevolking wordt dan ook gevormd door nakomelingen van Europese kolonisten van de 17de, 18de en 19de eeuw (waaronder ook de joden), van slaven uit Afrika (de Bosnegers of Boslandcreolen of Marrons in het binnenland en de Creolen in de kuststrook), van Chinezen, Brits-IndiŽrs en Javanen uit AziŽ en uiteraard ook de nakomelingen van de oorspronkelijke bewoners van het gebied, de Indianen. De aanvoer van contractarbeiders heeft de achteruitgang van de plantagelandbouw slechts tijdelijk kunnen tegenhouden, mede omdat de meeste immigranten na afloop van het contract de plantages verlieten om zich te vestigen als kleine landbouwers. Deze ontwikkeling werd door het Gouvernement bevorderd, omdat de immigranten op gemakkelijke voorwaarden aan land konden komen. Men zag namelijk in de blijvende vestiging een middel om de bevolking van het land te vergroten. De opkomst van de kleine landbouw, waarin nu vele tienduizenden Surinamers een bestaan vinden, is vooral daaraan te danken.

Vanaf het laatste kwart van de vorige eeuw werd de goudwinning een belangrijk middel van bestaan voor vele Surinamers, vooral voor de nakomelingen van de slaven. Jaarlijks - en dat gedurende tientallen jaren - trokken ze met duizenden het binnenland in op zoek naar het begeerde goud. Om de goudvelden gemakkelijker bereikbaar te maken werd in de beginjaren van deze eeuw vanuit Paramaribo een spoorlijn aangelegd. Met de tijd werden de opbrengsten in vergelijking met de grote ontberingen die in de bossen moesten doorstaan worden, te gering en viel de goudwinning langzaam aan stil. De spoorlijn werd ook grotendeels weer opgedoekt: alleen nog een kort traject wordt - voornamelijk uit toeristische overwegingen - nog uitgebaat. Rond de eeuwwisseling werd ook de winning van balata uit de bolletrieboom belangrijk. Balata was belangrijk voor de vervaardiging van drijfriemen en voor de omwikkeling van onderzeese telegraafkabels. Ook in deze nijverheidstak hebben vele duizenden Surinamers jarenlang een goede broodwinning gevonden, maar de ontwikkeling van de techniek en de lagere productie (van een boom kan pas na zes jaar weer getapt worden) maakten ook deze tak van nijverheid onrendabel. De balatawinning is nu van geen betekenis meer. In 1916 begint de opkomst van een nieuwe tak van mijnbouw, die in deze eeuw een allesoverheersende invloed zou hebben op de economische ontwikkeling van Suriname, nl. de exploitatie van bauxiet. In het oerwoud werd aan de Cotticarivier het mijnstadje Moengo aangelegd en in 1922 vond de eerste uitvoer van bauxiet plaats.Vanaf 1936 was bauxiet het belangrijkste exportproduct van Suriname.

 

In de oorlogsjaren nam de productie sterk toe en werd Suriname de belangrijkste producent van bauxiet, een positie die het land zou behouden tot in de jaren '50. Behalve Moengo waren in de oorlogsjaren ook Paranam van de Surinaamse Bauxiet Maatschappij en onverdacht van de Billiton Maatschappij in productie gekomen. De positie van bauxiet in de economie van Suriname werd nog sterker door de bouw van een stuwdam bij Afobaka in de Surinamerivier voor de opwekking van elektrische energie, alsook de bouw bij Paranam van een aluinaardefabriek en een aluminiumsmelter. Paranam werd hiermee de eerste en tot nu toe de enige plaats met een geÔntegreerd bedrijf, waar het bauxiet ter plaatse wordt verwerkt tot aluinaarde en aluminium. Na de oorlog betekende ook de opkomst van de rijstcultuur een belangrijke ontwikkeling in de economie van Suriname. Wageningen in het district Nickerie werd het centrum van die ontwikkeling. Daar verrees een woondorp met een rijstbedrijf van bijna 10.000 ha. Het uitstralingseffect van Wageningen heeft geleid tot de vestiging van ettelijke "rote landbouw- en verwerkingsbedrijven, waarvan de meeste gelegen zijn in het district Nickerie. Belangrijk, ook op landbouwgebied, is de opkomst van de bacovecultuur vanaf de jaren '60. Bacove is de Surinaamse benaming voor banaan. In de beginjaren van deze eeuw waren er al op grote schaal proeven genomen met de aanplant van bacove, maar door allerlei oorzaken, w.o. ziekten en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, waren die pogingen mislukt. Suriname bezit thans drie grote bacovebedrijven - een in Saramacca en twee in Nickerie. Hout is in de hele geschiedenis van Suriname al belangrijk geweest, maar na de Tweede Wereldoorlog raakte ook deze tak van nijverheid in een stroomversnelling. Het hout dat in Suriname wordt gekapt, wordt voor een belangrijk deel in Suriname verwerkt tot triplex en spaanplaten. Momenteel worden er onderhandelingen gevoerd met enkele grote internationale ondernemingen voor houtkap en -verwerking. De bevolkingsvisserij is van oudsher belangrijk geweest voor de voedselvoorziening van het volk. Na de Tweede Wereldoorlog werden ook bedrijven in het leven geroepen die zich toeleggen op kustvisserij en de vangst is vooral bestemd voor export.De garnalenvisserij neemt daarbij een belangrijke plaats in. In de jongste tijd zijn er ook aquacultuurbedrijven opgericht voor de kweek van vissen in speciaal daartoe aangelegde vijvers.

Van 1667 tot 1975 was Suriname een kolonie van Nederland , met een korte onderbreking van 1804 tot 1816. Aan het hoofd van het bestuur stond een door de Nederlandse regering benoemde gouverneur, die in alle belangrijke aangelegenheden de uitvoerder was van de instructies uit Nederland. Toch heeft Suriname reeds vroeg een eigen parlementaire vertegenwoordiging gekend, de Koloniale Staten, die in 1866 werden ingesteld. In vele aangelegenheden bepaalden zij, met de gouverneur, de bestuurszaken. Dit college, dat gekozen werd volgens censuskiesrecht, groeide uit tot de bij algemeen kiesrecht gekozen Staten van Suriname (1949), het Parlement van Suriname (1975) en de huidige Nationale Assemblee. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog nam het verlangen naar autonomie toe en bij de Staatsregeling van 1948 werd aan Suriname een belangrijke zeggenschap toegekend in binnenlandse aangelegenheden. Suriname kreeg toen ook ministers, die verantwoordelijk waren aan de Staten van Suriname. Deze situatie werd bevestigd door het Statuut van 1954, dat de verhoudingen regelde tussen de drie rijksdelen van het Koninkrijk der Nederlanden. In 1975 werd Suriname onafhankelijk, met een gekozen president, een Parlement dat bij algemeen kiesrecht gekozen werd door het volk en ministers die aan het Parlement verantwoordelijk waren. In 1980 maakte een groep militairen zich meester van de staatsmacht en werd de Grondwet buiten werking gesteld. In 1987 werd echter de democratie hersteld en kreeg Suriname een gekozen Nationale Assemblee, een President die door de volksvertegenwoordiging werd gekozen en aan de Nationale Assemblee verantwoordelijk was en ministers die door de president werden benoemd. De verkiezingen van 1987 werden met overweldigende meerderheid gewonnen door het Front voor Democratie en Ontwikkeling, een samenwerkingsverband van de NPS (overwegend Creoolse aanhang), de VHP (overwegend Hindostaans) en de KTPI (overwegend Javaans). Een militaire coup maakte in december 1990 een voortijdig einde aan die Regering, maar de verkiezingen van 1991 waren weer een succes voor het Nieuw Front, d.i. het 'oude' Front, aangevuld met de SPA. Deze regering is er in geslaagd om een eind te maken aan de in 1986 begonnen binnenlandse oorlog en om door uitvoering van een Structureel Aanpassingsprogramma de economie en het vertrouwen te herstellen en een halt roepen ll aan ae voorthollende inflatie. Bij de in mei 1996 gehouden verkiezingen kwam het Nieuw Front weer als grootste partij uit de bus, maar verloor de absolute meerderheid in de volksvertegenwoordiging. In september 1996 kwam er een geheel nieuwe regering tot stand door samenwerking van NDP, BVD, en KTPI. Voor het eerst in de Surinaamse geschiedenis werd een vrouw gekozen tot voorzitter van de Nationale Assemblee en een vrouw benoemd tot minister (van Regionale Ontwikkeling).

 

De eerste wettelijke regeling voor het onderwijs dateert van 1817. De scholen werden onderscheiden in middelbare en lagere. De middelbare stonden op het niveau van de huidige lagere school, terwijl op de lagere school onderricht werd gegeven in 'het speller en lezen, alsmede in de beginselen der schrijf- en rekenkunde'. In 1834 werd een nieuw reglement op het Lager Schoolwezen en Onderwijs afgekondigd, waarbij de onderwijzers werden onderscheiden in vier rangen. Alle rangen waren bevoegd om aan het hoofd van een school te staan en omdat vooral voor de laagste twee rangen de exameneisen zeer gering waren, liet het gehalte van de scholen veel te wensen over. In Paramaribo was het onderwijs voor een groot deel in particuliere handen, terwijl in de districten de Moravische Broeders actief waren. Zij begonnen in 1844 onderwijs te geven aan slavenkinderen en voor de opleiding van onderwijzers hadden zij een 'centraalschool', waar ook slavenkinderen werden opgeleid. De eerste openbare districtsschool werd opgericht in 1867, spoedig gevolgd door meerdere. Die waren vooral bedoeld om de kinderen van de in 1863 vrijverklaarde slaven op te vangen en later ook de kinderen van geÔmmigreerde contractarbeiders. Na 1850 kreeg het onderwijs een belangrijke uitbreiding, zowel in de breedte als in de diepte. De R.K. Missie en enkele particulieren stichtten scholen, ook voor ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs), waar het onderwijs op redelijk niveau stond. Niet onvermeld mag blijven dat, vooral op de scholen van de Moravische Broeders, het onderwijs gegeven werd in wat toen genoemd werd het Neger-Engels (nu spreekt men van Sranan). In 1876 kreeg de kolonie Suriname een nieuwe onderwijsverordening, die voor de ontwikkeling van het onderwijs in Suriname van bijzonder belang is geweest. Er werd een Departement van Onderwijs ingesteld onder leiding van een inspecteur voor het onderwijs en er werd leerplicht ingevoerd voor alle kinderen van zeven tot twaalf jaar. In de praktijk was de leerplichtregel met overal effectief omdat er met voldoende scholen waren en omdat vooral de ouders van de immigrantenkinderen soms bezwaren hadden om hun kinderen naar school te sturen. In de loop der jaren verbeterde de situatie echter aanmerkelijk. Er werden ook in de districten scholen gebouwd, ook door de Moravische Broeders en de R.K. Missie. En naarmate de immigranten zich blijvend vestigden in het land verdween hun weerzin tegen het schoolbezoek. Een der eerste inspecteurs voor het onderwijs was de in Nederland afgestudeerde Surinamer Dr. H.D. Benjamins, die o.m. bepaalde dat het Nederlands op alle scholen de voertaal zou zijn. De bouw van scholen, het verplichte schoolbezoek en het gebruik van het Nederlands als schooltaal hebben belangrijk bijgedragen tot de ontwikkeling van de Surinamers en tot het algemeen gebruik van het Nederlands nu in de samenleving. In 1887 werd een aantal ULO-scholen door de overheid samengevoegd tot de Gecombineerde School voor ULO, die in de jaren daarna uitgroeide tot een school op het niveau van een driejarige hbs (hogereburgerschool). Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren er in Paramaribo al vier scholen voor MULO (meer uitgebreid lager onderwijs) en vier scholen voor ULO. In de jaren '30 werd echter in het kader van de versobering - de economische wereldcrisis deed ook in Suriname haar invloed gelden - voor de districten een lager schooltype ingesteld, de school voor beperkt lager onderwijs (BLO), waar alleen les gegeven werd in Nederlandse taal, lezen, schrijven en rekenen. Voor een goed begrip moeten we vermelden dat op de scholen voor GLO (Gewoon Lager Onderwijs) naast de bovengenoemde vakken ook onderwijs gegeven werd in aardrijkskunde, geschiedenis, natuurkunde, plant- en dierkunde en vormleer. Na de Tweede Wereldoorlog traden grote verbeteringen op in het onderwijs. De school voor beperkt lager onderwijs werd afgeschaft. Er kwam een Kweekschool voor de opleiding van onderwijzers en er verschenen ook een Algemene Middelbare School, technische scholen en een school voor nijverheidsonderwijs. In de districten werden de eerste scholen voor MULO opgericht en in de jaren die volgden zouden er in geheel Suriname nog tientallen worden bijgebouwd. Momenteel zijn er in Suriname verspreid over Paramaribo, de kustdistricten en het binnenland - honderden scholen voor gewoon lager onderwijs, tientallen scholen voor Lager Beroepsgericht Onderwijs (d.i. een 4-jarige bovenbouw op de lagere school) en tientallen scholen voor MULO. In Paramaribo zijn er drie pedagogische academies (opleiding voor leerkrachten) en zeven scholen voor HAVO (Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs) en VWO (Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs), alsook een Instituut voor Middelbaar Economisch en Administratief Onderwijs. In het grensdistrict Nickerie bestaat sinds kort ook een middelbare scholengemeenschap, met opleidingen voor HAVO, VWO en onderwijzer. Reeds langer dan een eeuw bezit Suriname een Geneeskundige School voor de opleiding van geneesheren. In 1948 werd ook een Rechtsschool voor de opleiding van juristen, notarissen en hogere bestuursambtenaren opgericht. Toen in 1968 de Universiteit van Suriname van start ging, werden deze twee opleidingen geÔncorporeerd in de Universiteit. Deze Universiteit, telt drie faculteiten: Medische Wetenschappen , Technologische Wetenschappen en Maatschappijwetenschappen. Die laatste faculteit verzorgt opleidingen in o.m. economie, rechten en sociologie.

Bron: Andre Loor
Erick Rijsdijk ©2008